De Nederlanders waren slavenhandelaars en zo behandelen ze de plaatselijke Khoikoi die in de regio rond Kaapstad wonen. Op zoek naar landbouwgrond trokken de Nederlanders verder het binnenland in.
Vanaf 1806 vestigen de Britten zich in Kaapstad. Zij maken een einde aan de slavernij. De oude Nederlandse kolonisten, die zichzelf ‘Afrikaners’ (Boeren) beginnen te noemen, komen in conflict met de nieuwe Britse kolonisten.
Dit leidt tot de ‘Grote Trek’: meer dan 14.000 Nederlanders trekken het binnenland in onder meer naar de streek van Natal en later ook naar Transvaal en Oranje Vrijstaat (nu de provincies Kwazulu Natal, Gauteng en Free State). De aanwezige bewoners, de Zoeloes, verzetten zich heftig tegen de komst van deze vreemdelingen, maar moesten het onderspit delven. De Britten van hun kant trekken langs de kust omhoog en bestrijden er de Xhosas met succes. Slaven werden vrijgelaten en zwarten krijgen vanaf nu een paspoort. De Britten leggen grote suikerrietplantages aan en voeren Indiërs in om deze te bewerken.
In 1867 wordt de eerste diamant ontdekt op de grens tussen het gebied dat de Boeren controleren en de zone onder Brits bestuur. Het is de aanzet voor een krachtmeting tussen Britten en Boeren, de Zuid-Afrikaanse oorlog van1899 tot 1902, die in het voordeel van de Britten wordt beslecht. Ontginning van goud en diamant worden de belangrijkste economische activiteit.
Met het uitroepen van de Zuid-Afrikaanse Unie in 1910 wordt het land een onafhankelijk deel van het Britse koloniale rijk.