Home | Contact | Sitemap | Kies regio

 

   

Recht op informatie

De patiënt heeft recht op alle informatie die nodig is om inzicht te krijgen in zijn gezondheidstoestand en de vermoedelijke evolutie daarvan. Deze informatie moet door de zorgverlener verstrekt worden.

Als patiënt hebt u recht op informatie over de diagnose, de behandeling, de medicatie, de eventuele risico’s, de financiële implicaties, gezondheidsvoorlichting, enz.

Ook bij een negatieve prognose moet de arts informatie geven aan de patiënt en mag dit niet verzwegen worden.

De informatie moet verstrekt worden in een duidelijke, begrijpelijke taal. De arts moet bij zijn uitleg rekening houden met het niveau van de patiënt en zijn taal aanpassen.

Voorbeeld: De neuroloog legt aan Florence uit dat haar zoontje aan epilepsie lijdt. Wanneer de arts ziet dat Florence dit niet begrijpt, is het aangewezen om bijkomende uitleg te geven en te melden dat deze aandoening ook bekend staat in de volksmond als “vallende ziekte”.

Voorbeeld: Veerle wordt door haar huisarts naar de ophtalmoloog gestuurd, de huisarts kan dit toelichten en verduidelijken door te zeggen dat dit een oogarts is.

In principe moet de informatie mondeling gegeven worden, maar wanneer de patiënt het vraagt of als de arts het aangewezen acht, kan de informatie schriftelijk bevestigd worden.

Voorbeeld: Marie lijdt aan borstkanker. Omdat zij zeer sentimenteel reageert op deze mededeling, vraagt zij aan haar arts om haar alle inlichtingen ook schriftelijk te bezorgen zodat ze het één en ander achteraf op een minder moeilijk moment nog even kan nakijken.

De vertrouwenspersoon

De informatie moet in eerste instantie aan de patiënt verstrekt worden.
Er kunnen echter omstandigheden zijn waarin dit niet kan: zo kan een patiënt in coma liggen of te jong zijn. In omstandigheden waarbij de patiënt officieel wilsonbekwaam is, moet de informatie aan de wettelijke vertegenwoordiger verstrekt worden. In de mate van het mogelijke moet de wilsonbekwame patiënt hierbij wel betrokken worden.

Voorbeeld: Kevin (12 jaar) lijdt aan een aandoening en moet een vervelende behandeling ondergaan. Alle uitleg moet aan zijn ouders hierover gegeven worden maar ook Kevin moet hierbij betrokken worden en moet uitleg op zijn niveau krijgen.

Sommige patiënten die wel bekwaam zijn, verkiezen zich te laten bijstaan wanneer zij informatie krijgen en doen beroep op een “vertrouwenspersoon”. Dit kan de partner, een familielid, een vriend,… zijn. De patiënt blijft zelf alle beslissingen nemen en kan een persoon waarin hij/zij vertrouwen heeft vragen hem/haar bij te staan.

De arts noteert in zijn dossier dat de informatie werd meegedeeld aan de vertrouwenspersoon in aanwezigheid van de patiënt en vermeldt ook de identiteit van de vertrouwenspersoon.

Recht op niet-weten

Een patiënt kan er ook uitdrukkelijk voor kiezen om geen informatie te krijgen over zijn gezondheidstoestand. De patiënt moet dit duidelijk meedelen aan de arts die dit, om latere betwistingen te vermijden, het best noteert in het patiëntendossier.

Op dit recht bestaat er echter een uitzondering. Indien het niet-weten een ernstig gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de patiënt of van derden, dan moet de informatie wel meegedeeld worden.

Voorbeeld: Jan laat een AIDS-test uitvoeren maar deelt aan zijn arts mee dat hij het resultaat niet wenst te kennen. Indien de test positief zou zijn moet dit toch meegedeeld worden zodat enerzijds Jan de nodige behandeling kan opstarten maar ook dat hij eventueel zijn gedrag zodanig kan aanpassen dat hij geen derden in gevaar brengt.

Wanneer de patiënt een vertrouwenspersoon heeft aangeduid, zal de arts deze informatie eerst bespreken met de vertrouwenspersoon.

Therapeutische uitzondering

In uitzonderlijke gevallen, kan een arts er toch voor kiezen geen informatie te geven aan een patiënt. Dit kan enkel wanneer de arts meent dat het meedelen ervan ernstig nadeel voor de gezondheid van de patiënt kan opleveren.

De arts moet alvorens dit te kunnen beslissen een andere arts raadplegen die moet nagaan of er hier inderdaad sprake kan zijn van “ernstig nadeel”.

Indien de patiënt een vertrouwenspersoon heeft aangeduid, wordt deze eveneens eerst geconsulteerd.

De arts moet in het patiëntendossier vermelden dat hij informatie niet meedeelt en moet hierbij de motivering hiervan omschrijven.

Deze uitzondering is steeds tijdelijk en zodra het ernstig nadeel niet meer bestaat moet de informatie volledig meegedeeld worden.
Voorbeeld: er wordt een ernstige aandoening vastgesteld bij James. De echtgenote van James is hoogzwanger. De arts kiest ervoor de informatie niet mee te delen omdat hij vreest voor een vroeggeboorte. Zodra het kind geboren is, moet de arts echter alle informatie verstrekken aan James.

Voorbeeld: Mark maakt een moeilijke periode door in zijn leven en loopt met zwartgallige gedachten rond. De arts van Mark stelt bij een controle vast dat Mark een tumor heeft. De behandeling van deze tumor is niet dringend en de arts verkiest om te wachten dit mee te delen aan Mark daar het risico op zelfmoord of depressie al te groot is. De arts deelt dit wel mee aan de echtgenote van Mark die als vertrouwenspersoon is aangeduid. Zodra Mark terug het leven wat rooskleuriger inziet, moet de arts alle informatie geven.

Laatste aanpassing: 04/03/2008

Home | Contact | Sitemap | Kies regio

socmut.be copyright 2004-2006
Privacy Disclaimer